Details
166 p.
Besprekingen
De Volkskrant
Begin nooit een boek met het weer, luidt de gouden stelregel van misdaadauteur Elmore Leonard - op zijn Rum Punch baseerde Quentin Tarantino de film Jackie Brown.
'Het sneeuwde', opent Roderik Six zijn nieuwe roman. En het zal nog vaak sneeuwen in In het wit, het sneeuwt zelfs in de witregels, die net iets groter zijn dan doorgaans, het zal sneeuwen tot alles blanco is. Zoals de ruige natuur bij de romantici symbool stond voor de woelige binnenwereld van hun hoofdpersonages, zo is sneeuw - steeds zeldzamer door de opwarming van onze planeet - bij Six een metafoor voor het verdwijnen, van herinneringen, van gedachten, van taal.
En laat taal nu net cruciaal zijn in het leven van M, een vrouw die promoveerde op meteorologische fenomenen in de moderne roman. Ze digitaliseert schrijversarchieven, en terwijl in het hoofd van haar vader het niets zich uitbreidt, zal het algoritme dat ze voedt binnenkort zelf tekst genereren: 'De pagina's telden steeds minder lacunes en ze moest amper nog woorden aanvullen.'
Mark Schaevers' biografie van Hugo Claus inspireerde de Belgische journalist en auteur Roderik Six (1979), en dan vooral het laatste deel, waarin Claus 'langzaam wegzinkt in de mist die de ziekte van Alzheimer heet', zoals Schaevers schrijft. In een interview met het Vlaamse weekblad Knack zei Six: 'Het is zowat het ergste wat ik me kan voorstellen, dat heel je leven rond taal draait, en de woorden stuk voor stuk verdwijnen.'
Dus schreef hij met In het wit een literaire zoektocht naar het einde: hoe bepaal je wanneer het genoeg is geweest als de taal je in de steek laat? En als je niet meer wilsbekwaam bent, is het dan een daad van liefde als iemand je helpt sterven? Voor die onmogelijke beslissing staat M.
In zijn nieuwste roman, Wat we kunnen weten, laat Ian McEwan de verteller noteren over de alzheimer van haar eerste man: 'Het was voor ons een open vraag of het erger was om de patiënt te zijn of de liefhebbende mantelzorger.'
De geest van Claus - en vele andere schrijvers - waart door Six' roman: 'M kende de lente, met haar springerige violen, en verzen die plat liggen, loom op het gras bij de eerste warmte.' In het wit staat bol van de literaire verwijzingen, naar Mrs. Dalloway, naar Yeats, Beckett, Nabokov. De vrouwen over wie hij schrijft hebben dan ook beiden hun leven aan de literatuur gewijd.
In deel één zit M in een bus die door een besneeuwd landschap rijdt, op weg naar haar vader, die haar in zijn eentje grootbracht nadat haar moeder jong was overleden. Herinneringen aan haar moeder heeft ze alleen tweedehands, uit de mond van haar vader, want zelf herinnert M zich niets. Haar moeder had lang naar een kind verlangd, zegt de vader, dus toen M kwam, was dat 'een godsgeschenk'.
In deel twee kijkt een vrouw door het keukenraam en ziet buiten haar man met haar dochtertje spelen in de sneeuw. Nu krijgen we het perspectief van de moeder, en dat is minder rooskleurig dan de vader deed uitschijnen.
Iris heeft 'het gevoel nooit echt wakker te zijn', en tegelijkertijd is ze permanent waakzaam: 'Ze vervloekt de erfenis van het moederschap, de ingebakken angst die je niet laat slapen; altijd dat half oor, speurend naar die andere adem, naar de minste reutel of kuch. Altijd paraat, altijd bang.'
Na zijn postapocalyptische en inktzwarte trilogie Vloed, Val en Volt was Roderik Six toe aan iets zachters. Lichters zou ik niet zeggen, want hoewel de auteur naar tederheid zoekt, laat hij zijn vrouwelijke hoofdpersonages worstelen met het leven.
Six schept meesterlijk sfeer, met poëtisch taalgebruik en subtiele vondsten in vele zinnen - tegenstellingen, woordherhalingen, contrast en hier en daar grappige observaties. Soms wordt het wat te barok. Sneeuw, verdwijnen, vervagen, blanco's, manco's, maagdelijk, wit blad: het ligt er allemaal wel érg dik bovenop.
Maar in de openingspassage is het alsof we mee in de bus zitten in een stad die vertraagt door de vallende sneeuw. 'Voor de bus reed, stapvoets, een strooiwagen. Uitlaatgassen dreven laag boven de grond en een geel zwaailicht gaf de sneeuw een misselijkmakende kleur. Het was alsof iemand op een sprookje piste.'